Ya-ha-ha!

De Held Ontwaakt

Er was eerst niets.

Geen lucht, geen licht, geen gevoel van richting. Alleen een diepe, zachte duisternis, alsof de wereld zelf sliep en hem had meegenomen in die rust. Tijd had hier geen betekenis; seconden en eeuwen vloeiden in elkaar over.

Toen was er een stem.

Ze kwam niet van links of rechts, niet van boven of beneden. Ze bestond simpelweg, warm en vast, alsof ze al lang wist dat hij haar ooit weer zou horen.

‘Het is tijd,’ zei de stem, zonder haast. ‘Je hoeft niet langer te rusten.’

Links borstkas trok schokkend samen. Adem vond zijn weg terug in zijn lichaam, aarzelend, alsof zelfs lucht vergeten was hoe hij moest werken. Rondom hem begon de vloeistof waarin hij lag zich terug te trekken, rimpelend langs glas dat langzaam openschoof met een lage, oude zucht.

Zijn ogen openden zich.

Licht sneed door zijn zicht heen — fel, wit, ongenadig — en hij kneep ze weer dicht, overweldigd. Zijn hoofd voelde zwaar, leeg en vol tegelijk. Er waren herinneringen, dat wist hij zeker, maar ze lagen diep onder de oppervlakte, als stenen op de bodem van een meer.

‘Sta op,’ klonk de stem opnieuw, iets dichterbij nu. ‘Niet alles is verloren.’

 

Link bewoog zijn vingers. Zijn armen. Zijn benen. Alles voelde vreemd, alsof hij een lichaam droeg dat niet helemaal van hem was. Met moeite kwam hij overeind en stapte uit de cocon, water druipend van zijn huid, zijn voeten glijdend over koude stenen tegels.

De ruimte om hem heen was groot en stil.

Oude muren, bedekt met patronen die leken te ademen. Zachte blauwe lichten pulserend als een hartslag. Technologie die niet nieuw was, maar ook niet dood — alsof ze alleen had gewacht.

Hoog bovenin, waar het licht nauwelijks reikte, was een Korok.

Hij was klein, bijna onzichtbaar tussen schaduw en blad, zijn houten masker half verscholen achter een kromme richel. Zijn ogen volgden elke beweging van de jongen beneden. Hij had hier al zo lang gezeten dat wachten geen moeite meer kostte.

Hij is er, dacht de Korok. Nog steeds.

Link keek om zich heen, onzeker, zijn hand instinctief naar zijn borst gebracht. Hij wist niet wie hij was. Niet waar hij was. Maar iets in hem luisterde naar die stem, alsof gehoorzaamheid dieper zat dan herinnering.

De Korok boog zijn hoofd een fractie, eerbiedig. Niet voor een held — nog niet — maar voor iemand die was teruggekeerd.

Honderd winters, dacht hij. En toch precies op tijd.

Niet weg — maar aanwezig, als iemand die toekijkt vanaf een afstand en wacht tot hij zelf de volgende stap zet.

Link bleef staan.

Hij ademde.
Hij luisterde.
Hij keek.

En boven hem, verborgen, maar aandachtig, keek de Korok mee.
Nog ging hij niet tevoorschijn. Nog niet.

Dit moment was van Link alleen.

Link zette voorzichtig een stap vooruit. De stenen vloer voelde koud onder zijn blote voeten, maar iets trok hem verder de ruimte in. Vanuit het midden van de kamer ging een zachte gloed uit, pulserend, alsof de plek zelf zijn aandacht vroeg.

Hoog bovenin, verborgen tussen schaduw en blad, volgde de Korok elke beweging. Hij gaat, dacht hij. Eindelijk.

Toen Link dichterbij kwam, bewoog de zuil.

Niet plotseling, maar bewust. Oude mechanismen ontwaakten met een diep, laag geluid. Uit het hart van de zuil schoof iets omhoog — een platte, steenachtige tablet, donker van kleur, met een oogvormig symbool dat zacht oplichtte.

Link bleef staan.

De stem keerde terug, helder nu, zekerder dan daarvoor.

‘Dat wat je ziet,’ klonk het rustig, ‘is een reliek uit een ver verleden. Het heeft lang op je gewacht. Neem het. Het zal je begeleiden na je lange rust.’

Link aarzelde slechts een moment. Toen strekte hij zijn hand uit en pakte het voorwerp vast. Er ging een korte trilling door zijn arm, door de vloer, door de hele kamer — alsof de ruimte zijn keuze erkende.

Bovenin hield de Korok zijn adem in.

Ja, dacht hij tevreden. Dat hoort zo.

Aan de andere kant van de kamer begon de stenen wand te bewegen. Grote platen schoven langzaam omhoog, laag voor laag, en onthulden een doorgang naar een volgende ruimte. Geen licht stroomde naar binnen, slechts de belofte van verdergaan.

Link keek op, de steen stevig in zijn hand, en zette een stap vooruit.

Link bleef nog even staan voor hij de volgende ruimte in zou gaan. De stenen vloer voelde vertrouwd onder zijn voeten, alsof deze plek hem niet zomaar wilde laten vertrekken.

Toen voelde hij beweging.

Iets lichts landde op zijn schouder.

‘Ya-ha-ha!’

De Korok zat er ineens, precies alsof dat altijd de bedoeling was geweest. Zijn ronde bladmasker wiebelde enthousiast, terwijl hij zich steviger vastgreep.

‘Je ging bijna zonder mij!’ riep hij verontwaardigd. ‘Dat kan natuurlijk niet. Echt niet. Absoluut niet!’

Link draaide zijn hoofd een fractie, verbaasd, maar zei niets.

‘Ik ga mee,’ ging de Korok vrolijk verder. ‘Ik heb gewacht, weet je. Heel lang. En nu je eindelijk wakker bent, lijkt het me logisch dat ik met je meeloop. Bossen zijn groot. Jij bent… eh… nieuw.’

Hij leunde naar voren, keek naar de donkere doorgang en knikte tevreden.

‘Ja hoor. Dit wordt leuk.’

De Korok rommelde even achter zijn rug en haalde toen iets tevoorschijn. Klein. Goudbruin. Glanzend van trots.

‘Oh! En!’ zei hij, bijna stuiterend. ‘Ik had zo veel enthousiasme dat ik dit voor je heb!’

Hij hield het zaadje omhoog.

‘Het is een zaadje,’ verklaarde hij. ‘Nou ja… eigenlijk… eh… iets anders. Maar het telt! Hestu vindt het altijd goed!’

Link keek ernaar. Knipperde één keer. En nam het aan.

‘Ja! Je snapt het!’ juichte de Korok. ‘Gewoon bewaren! Dat ding dat je hebt — die steen — die kan het wel hebben. Die bewaart van alles!’

De Sheikah-steen reageerde zacht, alsof hij instemde. Het zaadje verdween erin, netjes opgeslagen.

‘Zie je wel!’ zei de Korok trots. ‘Perfect begin. Held, zaadje, avontuur. Alles klopt.’

Hij ging comfortabeler zitten op Links schouder en tikte hem zachtjes aan.

‘Kom op. De wereld wacht. En ik ook.’

Link zette een stap vooruit.

‘Ya-ha-ha,’ fluisterde de Korok tevreden. ‘Samen.’